Besturing


RC-set
Functies en instellingen


RC-set

Een radio besturingsset bestaat in het algemeen uit de volgende componenten:

  • zender (+ antenne en draagband)
  • zenderaccu
  • ontvanger (met kabel antenne)
  • ontvanger accu (+ houder)
  • servo's
  • regelaar ( bij electroaandrijving)
  • kabels

Onderstaande foto geeft een typische samenstelling van een RC-set weer.

Een besturingsset in de middenklasse
(Graupner MX-12)

Al deze componenten vormen gezamenlijk de besturingsinstallatie van een modelvliegtuig. De set is verder in twee parten te verdelen: a. het deel dat tijdens het vliegen door de piloot ter hand wordt genomen om stuursignalen naar het model te verzenden, de zender en b. het deel dat tijdens het vliegen in het model zit om de signalen te ontvangen en om te zetten in bewegingen van de roeren of andere functies zoals bijvoorbeeld de motorregeling (het gas), de ontvanger en de servo's. De componenten in het model worden met kabektjes aan elkaar verbonden. Voor de stroomverzorging worden zowel in de zender als in het vliegtig accu's gebruikt. Besturingsinstallaties worden zowel in sets als in afzonderlijke componenten op de markt gebracht. Voor beginners is het vaak beter om een set aan te schaffen dan om de componenten apart te kopen. Ervaren modelpiloten kiezen daarentegen vaak losse componenten.

Zender
Zenders zijn er in vele soorten, maten (= aantal kanalen) en prijsklassen. De keuze is dus vaak lastig. Een goed advies voor een beginner is misschien wel om zowel op kwaliteit te letten als op de mogelijkheden tot uitbreiding. Bij vele beginnersmodellen zijn drie besturingsfunctis voldoende, maar wil men verder met bijvoorbeeld een rolroertrainer dan zijn er al gauw vier of zes functies nodig. Een goede keuze is dus om met een beginnersset met minimaal vier kanalen van start te gaan, ongeacht of het een zwever is of een motorvliegtuig. Wil men later verder dan is er een ruime keuze. Onderstaand fotodrieluik geeft een indruk van de mogelijkheden, verdeeld in drie klassen.

Eenvoudig (beginners)
Middenklasse (gevorderden)
Topklasse (wedstrijdpiloten)

De meeste zenders en zeker de midden en hogere klassen zijn computergestuurd, d.w.z. dat het uitgaande signaal eerst door de computer wordt bewerkt en klaargemaakt voor de betreffende functie voordat het wordt verzonden. Deze bewerking heeft vele nieuwe mogelijkheden doen ontstaan voor het al dan niet dynamisch beinvloeden en combineren van stuursignalen (zie hiervoor "Functies en instellingen"

Ontvanger
De keuze van de ontvanger wordt meestal in combinatie met de zender gemaakt. Voor een complete set is dit duidelijk, wil men echter een losse ontvanger aanschaffen dan zal de keuze meestal worden bepaald door het gebruik in het modelvliegtuig. Zo kan men gedwongen zijn om voor een licht modelvliegtig een kleine ontvanger te kiezen. Het is geen probleem om deze met een "zware" zender aan te sturen. Hierbij dien wel gelet te worden op het signaal coderingssysteem (PPM of PCM) of dat de zender een kristal of synthesizer uitvoering is.

Accu's
Zowel voor de zender als voor de ontvanger worden accupakketten gebrikt. Voor de zender is dit meestal een 7,2 V accpakket en voor de ontvanger een 6 V pakket. Tegenwoordig worden ook steeds meer LiPo accu's gebruikt. Bij elektromodellen kan de ontvanger meestal via het BEC-systeem van de regelaar van stroom worden voorzien.

Servo's
Met uitzondering van de motorregeling bij elektromodellen worden servo's ingezet voor de aandrijving van roeren en overige stuurfuncties. De inbouw mogelijkheden en het benodigde krachtmoment bepalen de keuze van de servo. Servo's worden zowel in de romp als in de vleugel geplaatst. Bij dikke vleugels staan ze meestal rechtop, bij dunne vlegels liggen ze vaak plat.

Servo's in verschillende groottes. Inbouw van servo's in de romp. Bij een smalle romp kan de inbouw soms problematisch worden. Inbouw van een servo in een dunne vleugel. Komt veel voor bij park- en slowflyers. Bevestiging m.b.v. een half tegelkruisje.

Kabels
De verbinding tussen de ontvanger en de overige besturingscomponenten in het modelvliegtuig wordt gelegd met kabels en stekkerverbindingen. Kabels zijn er in vele soorten en maten. Standaarisatie heeft inmiddels bewerktelligd dat deze van verschillende fabrikaten kunnen zijn.

Terug ...

Moderne zenderset van Robbe Futaba

Functies en instellingen

Terug ...

Programmeerbare Mengfuncties (PMX)
De moderne computergestuurde zenders zijn uitgerust met diverse mogelijkheden om stuurfuncties aan elkaar te koppelen. Veelal zijn bepaalde combinaties via een schakelaar al bedienbaar, maar er zijn ook vrij kiesbare combinaties. Deze koppelingen worden met mixers aangeduid. Voor het besturen van een modelvliegtuig is het in vele gevallen nuttig om bepaalde roerfuncties aan elkaar te koppelen. Zo kan het richtingsroer aan de rolroeren worden gekoppeld of omgekeerd. Als het richtingsroer wordt aangestuurd zullen dan ook automatisch de rolroeren worden aangestuurd of als de rolroeren worden aangestuurd zal ook het richtingsroer mee lopen.. Dit wordt een "volgende of éénzijdige" mixer genoemd. Dit wil zeggen dat er een "master" en een "slave" is.

Master: dit is de functie die primair wordt aangestuurd door de zender.
Slave: deze functie volgt de master.

De mate waarin de slave de master volgt kan worden ingesteld. Bijvoorbeeld: als de rolroeren als master worden ingesteld kan het richtingsroer voor 50% volgen.

Er vallen de volgende 4 basis uitvoeringen van de staartconstructie te onderscheiden:
1. Model met een hoogteroer uit één stuk en rolroeren die door één servo worden aangestuurd, of met een Y-kabel vanuit één aansluiting op de ontvanger afzonderlijk worden aangestuurd.
2. Model met een gedeeld hoogteroer die elk met een servo worden aangestuurd die bovendien onafhankelijk van elkaar kunnen werken.
3. Staartloos model waarbij de roeren afzonderlijk door een servo worden aangestuurd en in combinatie met elkaar als hoogteroer dienen en de rolbeweging kunnen maken (zie ook: ELEVON).
4. Model met een V-staart constructie waarbij de staartvlakken ten opzichte van elkaar onder een bepaalde hoek staan en die elk roer door een eigen servo wordt aangestuurd voor de aansturing van hoogte en richting (zie ook V-tail).

Programmable mixers (PMX).
Two (or more) servos can be made to operate together either by mechanically joining the wires (with a V-connector) or by electronically "joining" them through programming functions (WING mixing) in the transmitter. When servos are electronically joined via programming, they are said to be "mixed." Each servo's end points can be independently set.

Master: the primary control function which operates as the leading signal.
Slave: the secondary function which is influenced bij the primary control function, the master.

Programmierbare Mixer (Programmable Mix; PMX)
Mit einem programmierbaren Mischer können zwei frei wählbare Functionen miteinander gemischt werden. Der aktivierte Mischer kann entweder dauernd wirksam sein oder per Schalter während des Betriebs ein- oder aus geschaltet werden.

Master: beim Mischen gibt es immer eine Function, der Master, die als "Geber"fungiert.
Slave: die Function die vom Master gesteuert wird.

Terug ...


Modelkeuze (MODEL)
Computerzenders bieden de mogelijkheid om de instelgegevens van meerdere modellen op te slaan. Door het model te kiezen kunnen deze gegevens weer worden opgevraagd en het model is weer optimaal inzetbaar. Dit is uiteraard een groot voordeel als met meerdere modellen gevlogen wordt. De modellen worden met een nummer aangegevn, maar op de achtergrond kan meestal een verkorte naam worden aangegeven.

Modelspeicher Aswahl (MODEL)
Computersender bieten die möglichkeit die Einstellungen des Modells zu speichern. Für unterschiedliche Modelle und Anwendungen lassen sich somit sehr komfortabel individuelle Einstellungen abspeichern und bei Bedarf schnell aufrufen. Zur besseren übersicht is de Modellspeicherplatz nummeriert und in manchen Fällen kann dazu auch eind Nahme programmiert werden.

Model name (MODEL)
Most computer transmitters have the ability to store the control information of your plane. With MODEL you select the model you intend to fly with. You don't need to enter a model name for the transmitter to work properly. However it is strongly recommended entering a name for each memory, as this makes it much easier to check that the name of the current model memory actally matches the model which you are about to operate. Most transmitters accept four letters, numbers or symbols to form a name or an abbreviated name.

Terug ...


Knuppelinstelling (STICK)
Bij een computerzender kunnen de knuppels verschillende functies worden toegewezen. Der combinaties worden in het algemeen in de volgende vier “Modes” gedefinieerd:

  • Mode 1: links verticaal: hoogteroer; links horizontaal: richtingsroer; rechts verticaal: motorregeling; rechts horizontaal: rolroeren.
  • Mode 2: links verticaal: motorregeling; links horizontaal: richtingsroer; rechts verticaal: hoogteroer; rechts horizontaal: rolroeren.
  • Mode 3: links verticaal: hoogteroer; links horizontaal: rolroer; rechts verticaal: motorregeling; rechts horizontaal: richtingsroer.
  • Mode 4: links verticaal: motorregeling; links horizontaal: rolroer; rechts verticaal: hoogteroer; rechts horizontaal: richtingsroer.

Welke “Mode” wordt gekozen is een kwestie van persoonlijke voorkeur en aangeleerde ervaring. Heeft men eenmaal voor een bepaalde “Mode”gekozen en hiermee ervaring opgedaan dan is het wel moeilijk om naar een andere “Mode” over te stappen.

Steuergeber-Anordnung (Stick-mode; STICK)
Mit dieser Function wird gewählt, welche Steuerknüppel Anordnng der Betreiber haben möchte. Dabei bleiben die Knüppelhebel 1 - 4 in der Buschenbank des Senders immer entsprechend ihrer Numerierung gesteckt. Eine Änderung ist nicht sinnvoll. Nur wenn die vorgesehene Steckfolge beibehalten wird kann mit der STICK Function gewählt werden, auf welcher Seite der Steuerknuppel die unten stehenden Functionen gesteuert werden sollen.

  • Mode 1: links vertikal: Höhenruder; links horizontaal: Seitenruder; rechts vertikal: Motorreglung; rechts horizontaal: Querruder.
  • Mode 2: links vertikal: Motorreglung; links horizontaal: Seitenruder; rechts vertikal: Höhenruder; rechts horizontaal: Querruder.
  • Mode 3: links vertikal: Höhenruder; links horizontaal: Querruder; rechts vertikal: Motorreglung; rechts horizontaal: Seitenruder.
  • Mode 4: links vertikal: Motorreglung; links horizontaal: Querruder; rechts vertikal: Höhenruder; rechts horizontaal:Seitenruder.

Terug ...


Expo (EXP)
Met de expo functie op een computerzender is het mogelijk om de roerbeweging niet lineair te laten verlopen, d.w.z. dat de verstelling van de roeren niet overeenkomt met de verstelling van de knuppel op de zender, maar waarbij de totale uitslag wel gehandhaafd blijft. In de normale situatie zou een roer bij een knuppel die halverwege staat ook halverwege zijn uitslag staan. Indien men echter de expo functie gebruikt is het mogelijk om de roeren meer of minder te laten uitslaan dan overeenkomt met de stand van het betreffende roer.

Men kan dit ook een soort “fine tuning” noemen waarbij de beweging van de roeren rond het neutrale punt kleiner of groter worden dan de lineaire beweging van de knuppel.  Meestal wordt een negatieve expo ingesteld, d.w.z. dat de roerbeweging kleiner wordt dan de knuppel beweging. Dit heeft tot voordeel dat men preciezer kan sturen.

Exponential .
Normally, servos respond proportionally to control stick input from the transmitter (e.g., if the stick is moved halfway, the servo wil! move halfway). However, with "exponential," the servo can be made to move more or less than initial stick movement (tess servo movement is more common). Exponentials are commonly used to "soften," or decrease initial servo travel tor the ailerons, elevators and rudder. This way, initial control stick inputs trom the pilot result in small servo movement for a smoother flying airplane.

Exponential Funktion
Mit der EXPO-Funktion beeinflust man die Charakteristik der Sreuerknüppel. Der lineare Zusemmenhang zwischen Steuerbewegung und Servoweg wird in einen nicht linearen (exponentiellen) Weg verändert. Dies ermöglicht ein feinfüligeres Steuern um die Neutralposition. Diese Option steht für alle Ruderfunctionen (Quer-, Höhen- und Seitenruder) zur verfügung. Die Exponentialkurve kann in beide Richtungen verändert werden:

  • die gerade Linie stellt den normalen, linearen Verlaf des Steuergeberwirkung dar (Einstellwert 0%)
  • der Gesamt-Ausslag bleibt in alle Fälle behalten
  • ein positives Vorzeichnen gibt eine starkere Steuergeberwirkung um die Neutrallage, zum Ende hin abnehmend (Einstelwer +X %)
  • ein negatives Vorzeichnen gibt eine geringere Steuergeberwirkung um die Neutrallage, zum Ende hin zunehmend (Einstellwert -X %)

Terug ...


Flaperon
Om de flaperon functie te kunnen gebruiken moet elk rolroer van een onafhankelijk aanstuurbare servo, dus elke servo op een eigen kanaal, worden voorzien. De rolroeren kunnen dan zowel in hun oorspronkelijke functie als in de functie van landingskleppen worden gebruikt. In de landingsklep functie g
aan beide kleppen gelijk naar boven of beneden waarbij overigens ook de rolroerfunctie behouden blijft.

Flaperon-Mischer
Diese Mischer dient dazu, die Querruderals Wolbklappen zu benutzen.

Flaperon
A flaperon is a type of controlsurface that combines aspects of both flaps and ailerons. In addition to controlling the roll and bank of an aircraft like conventional ailerons, both flaperons can be lowered together to function much the same as a dedicated set of flaps would. Both ailerons could also be raised, which wouldgive spoilerons.
Flaperon mixing function uses one servo on each of the twoo ailerons, and uses them both for aileron and flap function. For flap effects aileron raide/lower simultaneously.


Krähe-mixer (CROW)
Een goede Nederlandse naam voor deze instelling van rolroeren en remkleppen komt (nog) niet in het woordenboek voor! Het is echter een veel toegepaste instelling van vleugelkleppem om precisie landingen te maken. Dit is vooral van belang als in de stijgwind op hellingen wordt gevlogen.
Met de CROW functie kunnen de rolroeren naar boven worden bewogen om als remkleppen te dienen (Flaparon) waarbij tevens remkleppen, verstoorders of spoilers (Wölbklappen) kunnen worden ingezet om de lift te beïnvloeden.

Krähe (CROW)
Mit dieser Function können die Querruder zum Bremsen nach oben gesteuert werden. Dies ist vor allem bei Segelflugmodellen van Vorteil, wenn keine zusäzlichen Störklappen vorhanden sind. Der Unterschied zur Function Flaperon besteht darin daß zusätzlich Störklappen, oder Wölbklappen zum bremsen mit geschaltet werden können. Gesteuert wirdt die Function über einen wahlbaren Schalter am Sender.

Flaperon + rolroeren (CROW) functie ingeschakeld bij de landing van een zwever met een vier-kleppen vleugel. Hierbij worden de binnenste kleppen als landingskleppen gebruikt. De rolroeren worden omhoog gedraaid en de landingskleppen naar beneden. Indien alleen de rolroeren als landingskleppen worden gebruikt worden deze omhoog gezet en ter gelijker tijd wordt met het hoogteroer ongeveer 10% "up" gegeven om de "pitch down" te compenseren. Deze combinatie wordt ook wel met "air brake" aangeduid.

Rolroer differentiering (DIFF)
Om door het uitslaan van de rolroeren voor het negatieve giermoment te compenseren, moet een een rolroer differentiatie worden geprogrammeerd. Een nagatief giermoment ontstaat doordat bij een gelijke uitslag naar boven en beneden de weerstand van het neergaande roer groter is dan van het opgaande roer. D.w.z. dat daardoor bij een door rolroeren ingeleide bocht de weerstand van de ene vleugelhelft groter is dan dat van de andere. De weerstand van de vleugelhelft in de binnenbocht, dus daar waar het rolroer omhoog staat, is dan lager dan dat in de buitenbocht. Hierdoor ontstaan erlkaar tegenwerkende krachten waardoor een vliegtuig moeilijk in een bocht te brengen is en het daardoor nogal onvoorspelbaar of "hoekig" vliegt. Door verschil aan te brengen tussen de opgaande- en neergaande slag van het roer kunnen de krachtverschillen worden geneutraliseerd. Een verschil van 50% is in het algemeen voldoende.

Aileron differential (DIFF)
Aileron differential is designed to compensate for adverse Yaw when ailerons are used, and results in a reduced "down" movement of the ailerons. Maximum "up" movement shol be about 30 - 40 degrees. Ideally the other aileron should move about half as far down.

Querruder_Differentierng (DIFF)
Um beim Ausslag der Querruder das negatieve Wenderollmoment zu kompensieren, muß eine Querruder-Differentierung programmiert werden. Dabei soll das Querruder, welches nach oben geht, den vollen Servo-Ausslag haben. Es soll ein Asslag von maximaal 30-40 Grad nach oben ergeben. Das andere Querruder sol in etwa einen halb so großen Ausslag nach unten haben.

Terug ...


Servoweg instelling (E.P.A. : End Point Adjustment)
Deze functie maakt het mogelijk om het servo traject voor iedere servo, zowel op als neer, onafhankelijk van elkaar in te kunnen stellen. Dit is gewenst indien de servo verstelling groter dan gewenst, noodzakelijk of mogelijk is, bijvoorbeel vanwege een mechanische begrenzing. Met name bij het afstellen van de stationaire loop van verbrandingsmotoren is deze functie een uitstekende mogelijkheid om een perfecte afstelling te realiseren.

Servowegeinstellungen (E.P.A)
Diese Function ermöglicht die Servoweg-Einstellung getrennt für jede Seite, jeweils in einem Bereich von 40 bis 140 % des Servo-Gesamtweges inkusive Trimmung. Dies ist erforderlich um zu verhindern, dass das Servo einen größeren Weg macht, als es eine mechanische Begrenzung, z.B. eine Ruderanlenkung zulässt.Die Function wirkt auf den jeweiligen Servokanal und reduciert auch alle zugemischten Functionen. Beachten Sie Bitte unbedingt, dass die veränderte Einstellung sich ebenfals proportional auf die Trimmung auswirkt.

End point adjustment (E.P.A)
Sets the overall, maximum distance the servo rotates in either direction. The EPA function is designed to "fine tune" the serve throws in cases where changing the pushrod hookup will not achieve the correct throw. The pushrods should first be connected to the servo arms and control horns so the correct, or near correct control surface throw will be achieved. Then the EPA’s may be used to make small changes in the servo throw until the desired control throw is achieved. The control throws should be set up so that the "end points" are as near to 100% as possible. If the EPA values must be set below 70% or above 120% to get the desired throw, you should strongly consider changing the pushrod connections so the values can be set closer to 100%. (When the EPA is set to 100% the maximum servo throw for channels 1, 2, 3 & 4 is approximately 40º)

Terug ...


Delta menger (ELEVON)
Met de delta-menger of elevon zenderfunctie kunnen modellen bestuurd worden waarbij de rolroeren ook als hoogteroeren worden gebruikt of, zoals bij de Hunter 400, het gedeelde hoogteroer als rolroer. Deze combinatie van roerfuncties vindt men o.a. bij delta's, eend-modellen (canards) en vliegende vleugels. Hierbij is het noodzakelijk dat elk roer door zijn eigen servo wordt aangestuurd.
Bij het activeren van de rolroerknuppel wordt een tegengestelde beweging uitgevoerd door de roeren zelf doch bij het activeren van de hoogteroerknuppel wordt eenzelfde beweging uitgevoerd zoals bij een normale hoogteroer bediening plaats vindt. De signalen worden als het ware bij elkaar opgeteld, of met een mooi woord: “gesuperponeerd”. Bij een combinatie van beide functies berekent de computer in de zender exact de servo stand van beide servo's.

Delta mixer (ELEVON)
This function is used to set up the transmitter for controlling a model whose ailerons double as elevators (elevons). This arrangement of controls is found in deltas and in some canards and flying wings. In this case operating the aileron stick moves the controlsurface in opposite directions for roll control, but movement in the same direction, as required for elevator control. For each aileron/elevator a separate servo is required, connected to two different receiver outputs. The travels fot the aileron and elevator function can be adjusted separately, and the mixing direction can ber reversed.

Delta-Mischer (ELEVON)
Mit dieser Schaltung werden zwei Mischfunctionen bereit gestellt. Diese Function wird bei Modellen mit Delta-Tragflächen benötigt. Bei modellen dieser Art müssen die Signale des Quer-und des Höhenrudergebers gemischt werden, damit keine mechanischen Komponenten benötigt werden.

Terug ...


Dual-rate (D/R)
Dual-rate is een voorziening op de computer zender waarmee de roeruitslag tijdens het vliegen op twee niveau’s kan worden ingesteld. Op de zender is hiervoor een schakelaar gemonteerd. In de software van de zender kan het percentage van de verandering naar keuze worden ingesteld. Is bijvoorbeeld 50% ingesteld dan zullen bij het activeren van de dual-rate de roeren de halve uitslag maken.Deze voorziening is vooral van belang bij kunstvlucht. Bij de figuren kunnen dan de grote uitslagen worden gebruikt en bij snel wisselende vliegsnelheden of bij start en landing de kleine uitslagen. In de eindfase van de landing, “final”, is het soms echter weer van belang om de grote uitslagen te gebruiken. Iedere piloot moet dus afhankelijk van zijn eigen kunnen en het model zijn keuze maken. 

Dual Rates (D/R)
This function elows you to select reduced servo travel for the flight conyrol functions: aileron, elevator and rudder during flight by operating a swich. Travel is then reduced to a previously set value. Each fnction can be adjusted seperately from the others and can also be swiched seperately in flight or in common with the other channels. At least one mixer swich is required to control Dual Rates.

Wegumschaltung (Dual Rate; D/R)
Diese Function ermöglicht während des Betriebs die Umschaltung des Steuer-Ausslags für die Functionen: Querruder, Höhenruder und Seitenruder auf einen vorher eingestellten Wert. Jede Function kann unabängig von der anderen eingestellt und auch während des Betriebs separat oder gemeinsam umgeschaltet werden. Für die Umschaltng wird mindestens ein Mixer-Schalter benötigt. Ohne Schalter kann diese Function zur beidseitigen Wegreduzierung benutzt werden, sie wirkt dann wie eine mechanische Begrenzung des Knüppelwegs auf beiden Seiten.

Terug ...


Servo omkeer (REVERSE)
Met deze functie kan de draairichting van de servo's gekozen worden. Hiermee is het mogelijk om de servo optimaal in te bouwen en om nadien de draairichting te kiezen.

Reversing (servo reversing; REVERSE))
A function that allows the user to determine the direction of response of each servo. The servo reversing function changes the direction that a servo responds to a contral input from the transmitter(stick). If, after hooking up the servos, a control on the model responds in the wrong direction, the user may change the servo's direction so the control responds correctly. After using the reversing function, check all the controls on the model to be certain they are operating in the corret direction and that you did not inadvertently reverse a servo other than the one intended.
Reversing the wrong servo (and not checking the response of the controls before each flight) may be the most common cause of a crash!

Servolaufrichtung(REVERSE)
Mit dieser Function lässt sich die Servo-Drehrichtng der Servos electronisch umpolen. Dadurch muss bei der Montage der Servo im Modell keine Rücksicht auf die Drehrichtng genommen werden. Sie können im Modell optimal eingebaut werden um nachträglich die Laufrichtung elektronisch zu wählen.

Terug ...


Sub-trim (SB-TRIM)
Bij het inbouwen van de servo’s is het van belang deze zo af te stellen dat de servohevels in de midden positie staan als de trim en de knuppel eveneens in de middenpositie staan. Dit is de eerste belangrijke en zorgvuldig uit te voeren afstelling van zender, servo’s en roeren. Een verdere afstelling vindt tijdens het vliegen plaats. Een uitzondering hierop maakt de gasknuppel. Deze wordt op de minimum gasstand geplaatst en dit is zo ver mogelijk naar de piloot toe. Bij volgas wordt deze knuppel dus naar voren geschoven.

Bij de meeste zenders zijn de vier knuppels uitgerust met een trimfunctie. Hiermee kunnen kleine afwijkingen van de neutraalstelling van de roeren en het gas tijdens de vlucht bijgesteld worden.  Met behulp van de servo trim functie op de zender kan na de landing maar voordat de zender wordt uitgeschakeld de afwijking in het geheugen van de zender worden opgeslagen. Deze blijft bewaard, ook nadat de zender is uitgeschakeld. Bij de volgende inschakeling van de zender kunnen de trims weer in de neutrale positie worden gezet, maar de zender corrigeert  weer voor de aangebrachte correcties. Samenvatting van de uit te voeren stappen:

  1. Stel zender servo’s en roeren zodanig af dat alles in een neutrale stand staat.
  2. Schakel de zender en de ontvanger in.
  3. Controleer de draairichting van de servo’s en voer indien nodig correcties uit.
  4. Breng knuppels en trims in de neutrale posities.
  5. Corrigeer, zo nodig, de instellingen tijdens het vliegen.
  6. Sla middels “servo trim” de aanpassingen op in het geheugen van de zender en schakel deze uit.
  7. Zet de trim’s weer neutraal en controleer het vlieggedrag weer en breng eventueel weer correcties aan.

Herhaal de acties 6 en 7 zolang totdat heen correcties meer nodig zijn. De servo-trim functie heeft beperkingen en als de correcties te groot zijn dan is het beter om weer met 1 te beginnen.

Sub-trim
Sub-trim makes small changes or corrections to the neutral position of each servo.

The procedure is as follows:
1. Measure and record the desired surface position.
2. Zero-out both the trims.
3. Mount servo arms and linkage so that the controlsurfaca's neutral is and correct as possible.
4. And final: use small amount os Sub-trim to make fine corrections.

Terug ...


Reikwijdtetest
Niet alleen bij een nieuw model dat zijn eerste vlucht moet maken, maar ook bij modellen die een lange tijd niet gebruikt zijn, een keer zijn gecrashed of een harde landing heeft gemaakt is het noodzakelijk om een reikwijdtetest uit te voeren. Bij deze test wordt de zenderantenne helemaal ingescho­ven en wordt gekeken tot op welke afstand ontvanger en servo’s nog goed werken. Voor een goede uitvoering van de test heb je twee personen nodig. De test gaat als volgt: loopt al sturend weg van het model en de vliegcollega controleert voortdurend of alle functies nog conform de stuurbewegingen worden uitgevoerd. Voor een goede communicatie is het gebruik van een mobiele telefoon een handig hulpmiddel. Een afstand van ongeveer 50 meter is voldoende om een betrouwbaar resultaat te krijgen. Bij elektroaangedre­ven modellen is het zeer belangrijk deze test over het hele toerentalbereik uit te voeren.

Terug ...

contact | © 2016