Landingssnelheid

"What gos up must come down" is in de vliegwereld een niet onbekende kreet. Wat omhoog gaat komt weer naar beneden. Dat geldt voor een door de doelman uitgeschoten voetbal, voor een afgeschoten granaat uit een kanon en ...... voor een modelvliegtuig. Allemaal zijn ze onderdanig aan de wetten van de zwaartekracht zoals Newton dit in zijn publicatie "Principia" aan de wereld openbaar maakte.

Het is dus niet de vraag of, maar hoe. Hoe ga je een vliegtuig netjes aan de grond zetten en waar moet je je aan houden als je met meerdere tegelijk een veldje gebruikt? Hiervoor zijn bepaalde beproefde regels in ach te nemen. In dit hoofdstuk hierover een nadere toelichting.

Ten eerste is er een algemeen ingeburgerder landingsprocedure zoals hieronder is aangegeven. Belangrijke regel is dat er zowel in de wind op wordt gestart en geland.

De standaard landingsprocedure.

Om goed en veilig te kunnen landen moet men de gedragingen van het model goed kennen. Bij de allereerste vliegproeven is het dan ook van het grootste belang om de overtreksnelheid te leren kennen want bij de landing mag deze niet worden onderschreden. Ga daarna een paar keer laag, maar op veilige hoogte, over de landingsbaan om eventuele obstakels en luchtwervelingen in de aanvliegroute te leren kennen.
Afhankelijk van het model is het ook van belang om het grondeffect te bepalen. Bepaalde modellen, met name zwevers krijgen op geringe hoogte door het grondeffect extra lift en willen dan niet goed meer dalen. Het punt van "touch down" kan hierbij ver worden overschreden.

Een landing bestaat uit vier vliegfasen:

Downwind: hierbij wordt op een geringe, doch veilige hoogte parallel aan de baan of landingsstrip gevlogen met de wind op de staart. Daarbij kan het model links of rechts van de landingspositie aanvliegen. Staat de modelpiloot naast de baan dan zal deze tussen het model en de piloot liggen.

Crossleg: Hierbij is het model vanuit de downwind positie gedraaid naar een aanvlieglijn haaks op de baan. Deze positie wordt gevolgd tot het moment dat een bocht gemaakt kan worden waarbij het model recht voor de baan komt te liggen.

Final: Het model ligt nu in lijn met de baan en de snelheid wordt verlaagd tot de minimale snelheid waarbij het nog voldoende lift oplevert en goed bestuurbaar is, dit is de landingssnelheid. Hierbij mag de overtreksnelheid absolut niet worden onderschreden.

Touchdown: Dit is het feitelijke einde van de landingsprocedure en gaat het over in het taxieen.

Een landing vraagt opperste concentratie.

We kennen modellen met een neuswiel of een staartwiel en dit geeft in "Final" en "Touch down" enig verschil in de reacties met het hoogteroer. Een model met een staartwiel zal achterover zakken zodra de grond bereikt is. Hierdoor wordt de invalshoek van de vleugel groter en neemt de lift toe. Daardoor ontstaat de neiging om weer van de grond los te komen. Het gaat een paar keer springen en nadat het genoeg snelheid heeft verloren zal het op zijn drie pootjes terecht komen. Probeer dit niet met abrupte reactie op het hoogteroer te corrigeren, maar laat het model even zijn gang gaan! Het is dan ook de kunst om een zogenaamde driepootslanding uit te voeren.
Bij modellen met een neuswiel gebeurt het omgekeerde. De landing wordt dan uitgevoerd in een iets achterover hellende stand waarbij de invalshoek van de vleugel iets groter is dan bij de normale kruissnelheid. De lift is hierdoor ook groter waardoor de snelheid ook lager kan zijn., hetgeen al direct een voordeel is. Zodra de wielen de grond raken zal het afremmen en komt de neus omlaag. De invalshoek wordt kleiner en ook de lift. Het model hecht zich dan als het ware aan de grond. Laat het model gewoon lopen en probeer bij het benaderen van het landingspunt vooral niet down te sturen waarbij het neuswiel eerst de grond raakt!

Conclusie is dat het landen met een neuswiel model eenvoudiger is dan met een staartwiel model.

Voor een stabiele landing waarbij wordt voorkomen dat het model na "touch down" weer opspringt moet het model extra achterover hellen. De ideale sitand is die waarbij de wielen horizontaal staan en er dus een driepoots landing plaats vindt. Bij een te vlekke stand van het model is de kans op opspringen groot of kan het model voorover slaan.
Omdat de wielbasis patallel met de langsas staan kan een neuswielmodel vlak worden geland. Er is daarbij nauwelijks of geen kans op opspringen of over de kop slaan. Toch is het aan te raden om een beetje met de neus omhoog te landen om te voorkomen dat het neuswiel toch als eerste de grond raakt.

Veel succes!

Terug naar index .....



contact | © 2016